Op 11 en 12 januari 2025 vindt in Oisterwijk het Nederlands Kampioenschap Veldrijden plaats. Aandachtig toeschouwer is ongetwijfeld de bondscoach. De 48-jarige Gerben de Knegt zal dat weekend echter niet makkelijk verrast kunnen worden: door een door hem en wielerbond K.N.W.U. ontwikkeld fijnmazig scoutingsysteem ziet hij de talenten immers vaak al op jeugdige leeftijd aan het werk. Een gesprek met de oud-prof over deze structuur, maar verder ook over het parcours, het succes van de Nederlanders en over de toekomst van het veldrijden.
Door René de Jong
Het is voor schrijver dezes het allereerste gesprek met een heuse bondscoach. In zijn woning in Goirle relativeert Gerben dat onmiddellijk: “Nou, ik zou mezelf eerder willen betitelen als ‘manusje van alles’. Ik bezoek natuurlijk veel wedstrijden en heb intensief contact met renners uit alle categorieën. Dus dan gaat het zowel bij de mannen als de vrouwen om de junioren vanaf 16 jaar, de amateurs en de professionals. In totaal bestaat die groep uit 60 personen. Daarnaast ben ik onder andere verantwoordelijk voor de verdeling van de budgetten, verzorg ik trainingen (techniek en fysiek) en workshops, doe de selectie voor de W.K., E.K. en wereldbekerwedstrijden en boek dan bijvoorbeeld de hotels, regel de soigneurs en technici, de hele logistiek, de bussen, noem maar op. Er komt heel wat bij kijken. Het is duidelijk dat mijn takenpakket er heel anders uitziet dan van Ronald Koeman bijvoorbeeld, haha. Gelukkig is Rob Meeuwessen erbij gekomen als assistent. En dit is dan mijn taak voor het veldrijden in de winter; in de zomer is dat ongeveer hetzelfde maar dan voor het mountainbiken”.
Je bent zelf 18 jaar profwielrenner geweest en bent onder meer twee keer Nederlands kampioen veldrijden geworden. Je bent nu sinds 2016 bondscoach/manusje van alles. Is het nog steeds leuk?
Gerben:” Ja, zeker. Anders zou ik het niet doen. Ik heb een schitterende baan, soms erg druk en soms is het wat rustiger. Ik ken de weg in dit wereldje, dat is het voordeel als je er al zo’n lange tijd in rondloopt. En ik wil het zeker nog een tijdje blijven doen: mijn contract loopt tot en met de Olympische Spelen van 2028 in Los Angeles.”
Als je de beginsituatie van jouw carrière in 2016 vergelijkt met die van nu, anno 2025, wat zie je dan?
Gerben: “Dan zie je wel progressie. Nederland heeft de laatste jaren vele successen behaald met Van der Poel, Brand, Vos, Van Empel en pas ook Puck Pieterse bij het mountainbiken. Maar het gaat me veel te ver om die resultaten volledig aan mij toe te schrijven. Dat is onzin. Je moet ook geluk hebben met je talenten natuurlijk. Maar het is zeker zo dat ons scoutingssysteem prima functioneert."
Kun je daar wat meer over vertellen?
Gerben: “Nederland is uniek voor wat betreft de verenigingsstructuur. Andere landen kennen dat niet of nauwelijks dus in dat opzicht hebben wij een grote voorsprong. Wij hebben als bond veel contact met die clubs. Verder hebben we zeven landelijke trainingspunten opgezet. Op die plekken komen de talenten al op jeugdige leeftijd geregeld bijeen voor centrale trainingen. Zodoende hebben we de groei-briljanten vroeg in het vizier en kunnen we ze verder trainen en begeleiden.”
Wat weet je over het parcours op het NK bij ‘Klein-Oisterwijk’?
Gerben: “Ik ken de organisatie heel goed. Ik heb die ‘stichting wielerronde Moergestel/Oisterwijk’ nog als renner meegemaakt met het parcours aan de Zandstraat. Die mensen hebben het prima voor elkaar. Ze zijn fiks gegroeid en dat ze nu het NK mogen organiseren, is een terechte beloning. Voor wat betreft het parcours: dat is prachtig! Mooie omgeving, afwisselend en uitdagend!!”
Is zo’n NK belangrijk voor het veldrijden?
Gerben: “ Tuurlijk! Het is de apotheose, de kers op de taart. Iedereen wil die nationale trui, al is het alleen maar uit commercieel oogpunt. Alle renners werken hier naar toe. Hopelijk is er veel publiek.”
Tot slot: hoe zie je de toekomst van deze sport?
Gerben: “Ik zie het wel zonnig in. Zolang wij als K.N.W.U. er in kunnen blijven investeren, is er in elk geval in Nederland een solide basis. Er is nog altijd veel belangstelling vanuit de commercie, vooral in België. Die strijd tussen de Belgen en de Nederlanders is al een tijdje gaande, en die zal er ook altijd wel blijven denk ik….”
