De letters AOW staan voor: Algemene Ouderdomswet. De wet werd 70 jaar geleden ingevoerd. Het idee was om iedereen die de leeftijd van 65 jaar had bereikt een uitkering te geven. Geen armoede meer, geen mensen meer die zich zorgen maakten over hun oude dag.

Tot 1956 was het gebruikelijk dat de kinderen financieel zorgden voor hun ouders als werken moeilijk werd. Schrijnende gevallen kwamen tot ruim tien jaar na de Tweede Wereldoorlog nog veelvuldig voor. De alleenstaande opa bleef per toerbeurt een maand bij een van zijn kinderen. Of: de acht kinderen moesten ieder een geldbedrag afdragen aan hun ouders zodat ook zij in ieder geval konden blijven huren en niet verhongerden.

Voor wie?

Iedereen die in Nederland heeft gewoond of gewerkt, krijgt AOW als hij of zij 67 jaar is geworden, mits die persoon verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen. De hoogte hangt af van het aantal jaren dat je in Nederland hebt gewoond of gewerkt. Volledige AOW krijg je als je hier 50 jaar hebt gewoond of gewerkt. Heb je langere tijd in het buitenland gewoond, dan kan de uitkering naar verhouding lager zijn.

Het maakt niet uit of je een dakloze bent of miljonair: de AOW geldt voor iedereen. Dus ook als je nooit gewerkt hebt, kom je in aanmerking voor een maandelijks bedrag uit de AOW-pot.

En hoe zit het met de zzp’er? Ook die groep komt in aanmerking voor een AOW-uitkering, mits hij of zij in Nederland heeft gewoond of gewerkt.

Wie betaalt dat alles?

De Rijksoverheid stelt de bedragen vast en betaalt deze uit belastinggeld. Degene die nu werkt, betaalt voor de ouderen van nu.

Pensioen

Voor een pensioen betaal (spaar) je zelf, meestal in combinatie met de werkgever. Wie zelfstandig ondernemer is, moet zelf iets regelen voor de oude dag. Per 1 januari jl. stappen een flink aantal pensioenfondsen over naar het nieuwe systeem.

Kort gezegd komt het neer op het volgende: de fondsen moesten van de overheid tot voor kort een groot bedrag als reserve achter de hand houden. Velen vonden dat een vreemde situatie, omdat de fondsen daardoor stinkend rijk waren.

De verandering is dat pensioenfondsen in het nieuwe systeem minder reserves hoeven aan te houden. Ook kan de uitkering schommelen. In goede tijden krijgt de ontvanger een hoger maandbedrag dan in economisch slechtere tijden. Er is dus straks geen sprake meer van een vast pensioenbedrag.

De individuele werknemer gaat in zijn of haar arbeidszame leven meer en meer een eigen pensioenpotje vullen, inclusief de risico’s van schommelingen.

Arbeidsongeschiktheid

Wie niet meer in staat is om te werken, kan aanspraak maken op een ziekte-uitkering. De overheid kijkt wat je nog kunt en berekent wat je met dat werk nog verdient. Stel dat je nog vier halve dagen kunt werken en daarmee 40 procent verdient, dan word je voor 60 procent afgekeurd.

Ook kan het gebeuren dat iemand helemaal niets meer kan en voor 100 procent wordt afgekeurd. Ook dan stelt de overheid een uitkering vast. Meestal zorgt ziek zijn en afgekeurd worden voor een lager maandbedrag.

En hoe zit het met de zzp’er? Deze groep is wettelijk nog niet verplicht om een verzekering af te sluiten voor arbeidsongeschiktheid. In de praktijk is zo’n verzekering voor een groot deel van de zzp’ers vrijwel onbetaalbaar. Veel zelfstandigen nemen daarom het risico, onder het mom van: als ik ziek word, heb ik pech gehad. De overheid broedt op een verplichte verzekering die betaalbaar moet zijn voor zzp’ers.