Afgelopen week stond ik in het atelier van mijn broer. Hij is kunstenaar, maar niet van het soort dat in stille galeries hangt. Mijn broer schildert voor kermisexploitanten. Zijn werkplaats staat vol met losse onderdelen van attracties die hij opknapt of van een heel nieuw ontwerp voorziet. Sterker nog, op het Anton Pieckplein in De Efteling staat een draaimolen die door zijn handen is gegaan. Terwijl ik daar zo tussen de felle kleuren en de geur van lak en nostalgie stond te kijken, dwaalden mijn gedachten onherroepelijk af.

Want er is niets dat de verloren jeugd zo krachtig oproept als de kermis. Ik hoef tegenwoordig maar langs een oliebollenkraam te lopen of de geur van een suikerspin op te snuiven, en de weemoed slaat als een golf door mijn lichaam. De onschuld bij de schietkraam. Stoer slaan tegen de boksbal, gewoon omdat het kon, niet omdat het moest. In mijn herinnering was het áltijd lekker weer als het kermis was. Zodra de schoolzoemer ging, gierde de opwinding door je lijf. Je rende naar huis, smeet je boekentas in een hoek, griste de bonnen mee die je al had verzameld bij de muntenschuiver en pakte de fiets.

Met de hele groep sjeesden we erheen. De fietsen zetten we bij het gemeentehuis tegen het hek. Tussen de honderden andere fietsen vond je altijd wel een plekje. Veel beter dan dat moment werd het leven eigenlijk niet. Het absolute genot van een dagkaart voor de Cakewalk. Je wist inmiddels precies hoe je zo nonchalant mogelijk, zonder hulp, die lopende band op moest lopen. Je was een door de wol geverfde Cakewalker.

En dan het rennen naar de botsauto’s. Met twintig man tegelijk in een wagentje springen en weigeren er nog uit te gaan. Het allermooiste meisje van de klas zat plotseling naast je. Tijdens de rit probeerde je behendig iedereen te ontwijken – pas dán scoorde je punten. Met een beetje geluk had je diezelfde avond nog verkering. Wat was het leven overzichtelijk en mooi.

Tussendoor verschanste je een wijnbal, een kaneelstok en zes schuimblokken, om vervolgens in de Polyp te stappen. Dat het dan misging en je achter de kerk de pastorie veranderde in een spouwuur, mocht de pret niet drukken. Je veegde je mond af en rende snel weer terug naar het heerlijke gegil van de meiden. Misschien wel het leukste was het plagen, het naar elkaar roepen over het lawaai heen. ‘Wim! Wim!’ ‘Ja, wat is er?’ ‘Wim, je bent een oelewapper!’ En dan de ontlading, het gelach om jou. Ik denk weleens dat de meeste cabaretiers op de kermis zijn begonnen.

Als klap op de vuurpijl was er de rups. Zitten met het mooiste meisje van de kermis, met bonkend hart wachten tot die magische kap over je heen viel. Als het doek weer wegschoof, zag je overal rode hoofden van de spanning. Er was pure blijdschap en opluchting, zonder dat je wist waarom. Nog één keer reiken naar de flos voor een gratis ritje. En dat het dan net niet lukte. Het leven was perfect.